Je gebruikt een verouderde versie van Internet Explorer, hierdoor kun je de video's niet vooruitspoelen. Als je deze functionaliteit wel wilt gebruiken, overweeg dan om Internet Explorer te upgraden naar versie 9 of hoger, of gebruik een alternative webbrowser zoals Chrome.

Te lang geleden!

Het was stil. Doodstil. Hij keek in het nietszeg­gende grijs om hem heen. Er was niets meer dat hij herkende. De flat waar hij woonde was veranderd in een ge­smolten sprookjeskasteel. Als een voorstudie voor een bizar sf-strip­boek. In houtskool, als na de kunstenaar met de palm van zijn hand in waanzin erover heen had geveegd.

De parkeerplaats was een stofgrijs vlak geworden. De weg even­eens, maar dan een liggende driehoek waarvan de lijnen elkaar in het onein­dige raakten. Zowel wat eens de weg was geweest, als de parkeer­plaats waren overdekt met bobbels waarvan de grootste ongeveer een halve meter boven de oorspronkelijke grond uitsta­ken. Op het hoogtepunt waren kokend steen en asfalt tot een glazig oppervlak gestold. De man huiverde toen hij dacht aan de mensen en de auto’s die erop gelopen en gereden moesten hebben. Hij dwong zichzelf aan iets anders te denken. Maar er was niets dat hem de nodige impul­sen verschafte. Er was gewoon niets meer, tot over de horizon met al haar bizarre vormen en schadu­wen. De man hield zijn adem in. De stilte maakte hem bang. Hij had nog nooit stilte gehoord.

Hij stond daar maar. Hoelang? Maakte dat voor hem uit? Kunnen seconden geweest zijn, minuten of zelfs uren.

Langzaam rees de emotie van de achter­grond boven zijn angst uit. Wat is er gebeurd? En waarom niet met mij? Wat is er in hemelsnaam gebeurd?!!! Hij hoorde het geluid van zijn raspende, angstige ademha­ling. Totaal, en tot diep in zijn borst.

Aarzelend zette de man één stap naar voren. Hij schrok van het geluid van zijn schrapende voet. Hij keek naar beneden, naar zijn schoen. Het leek alsof hij het geluid kon zien, zo puur was het leven dat hij in deze desolate wereld bracht. ‘Ooh mama!’, kermde hij zachtjes. De echo weerkaatste als ‘Amma’ van zijn voormalige flat terug. Ik moet hier weg!, dacht de man in paniek, ik moet hier weg!

Een tweede stap volgde, en een derde, een vierde. En de man begon te rennen. Steeds sneller, steeds harder, steeds waanzinniger. Hij probeer­de de echo’s van zijn rennen voor te blijven, in doodsangst. Hij holde en holde, in oostelijke richting. Weg van de plekken waar voorheen de voorsteden lagen.

En inderdaad, de gestolde, verfrommelde sculpturen die ooit gebouwen waren geweest, namen af. Geheel in zichzelf gekeerd, luisterend naar het pompende bloed in zijn slapen en zich concentre­rend op de regel­maat van zijn oorverdovend hollen, werd hij rustiger. Hoe verder hij zich van de ooit stadse omgeving verwijderde kreeg hij meer hoop op het landschap dat hij hier kende. Al rennend begon de man daar­naar uit te kijken. Al was het maar één sprietje. Eén vier­kante centime­ter natuur­lijk groen in deze woeste grijsgladde woeste­nij. Maar er was niets anders dan de nieuwe wereld waar hij zojuist kennis mee had ge­maakt...

De zon, gehuld in een breed spectrum van grijstinten verscheen recht voor hem aan de horizon. Heb ik al zo lang gehold?, vroeg hij zich verbaasd af. Hij had het gevoel dat hij zeker nog even zo lang had kunnen door hollen. En dat terwijl hij een straffe roker was. Was geweest. De man snakte naar een sigaret. De nieuwe zonnestralen deden niets. Verwarmden niet. Temper­den niet zijn angst, of wat al niet meer wat een nieuwe dag door­gaans met een mens doet. De zon verlichtte slechts het grijs, in het grijs. Zijn tempo nam af, maar gelijk­tijdig begon hij luid en schokschouderend te snikken. Schokkend en stotend kwam zijn ritme tot stilstand en zijn huilen, intens, achter zijn adem, zonder geluid, nam over.

‘Ik wil een sigaret!!!’, krijste de mens in de eenzame leegte. Hij zakte langzaam op zijn knieën. Voor en achter hem werd het onwer­kelijk snel licht.

Op zijn knieën, voorovergebogen in de foetale houding, bleef de man een tijdlang gehurkt zitten. Zijn gezicht op het spiegelgladde oppervlak van de nieuwe aarde. Hij huilde met zoveel afgrijzen dat hij zich het bijbehorende geluid niet toeliet.

Schokkend nam zijn snikken af. Duizenden gedach­ten die leidden tot slechts één vraag kwamen weer op. Wat nu?!

Als een zweem speelde zelfmoord door zijn hoofd: klaar­blijke­lijk de enige uitweg. Maar waar­mee? In verste omtrek was er maar dan ook niets waarmee hij zijn doodswens kon inwilli­gen. Daarmee kwam hij tot een nog beangsti­gender inzicht: gewoon niet meer eten en drinken. Maar zelfs na een nacht lang rennen had hij aan drinken geen behoefte. En hij voelde dat het heel lang zou duren voordat dat zou komen. Misschien wel nooit.

Dit, alles om hem heen slechts een schaduw van hetgeen hij kende, had niets nodig en daarmee hij als enige levende ziel ook niet. Een gewaar­wording die sterker en sterker werd. Balancerend op de rand van waanzin kreeg hij weer hoop. Iets dat zo is, kan niet bestaan. De werkelijkheid moest er ook nog zijn, zo redeneerde hij. Maar waar?

Het zinloze van zijn aanwezigheid hier, zijn gedachten, zijn angst; hij werd overmeesterd en liet zich op zijn zij rollen. Zijn armen en benen ploften willoos naast zijn lichaam. De man staarde met grote ogen naar het grijze, onwezenlijke zwerk boven hem. Hij wilde slapen, slapen voor altijd. Hier, op de grijze, gladde formica-achtige grond dat in zijn herinne­ring een ruig moerasgebied moest zijn. Lichamelijk was hij niet moe, maar zijn geest was doodop. Zijn ogen werden zwaar, en hij kreeg hoofdpijn. De wanhoop bonkte als een grote slopers­ha­mer zijn geest binnen.

Plots stopte zijn hart. Er was een geluid! Een geluid dat niet van hem kwam!!!

Met een ruk richtte de man zich op zijn ellebogen. Hij luisterde scherp, met zijn ogen dicht. Ja, daar was het weer! Het was menselijk, een soort kermen! In één sprong stond hij op zijn voeten, en tuurde in de richting waar hij meende dat het vandaan kwam. Niets. Hij draaide zich langzaam om. In de totaal tegenovergestelde richting, net voor de horizon, was daar een onwerkelijk licht. Een schok golfde door hem heen. Kleuren! Kleuren uit de wereld die hij kende! Onwerkelijk puur, schitterend als een zuivere diamant in de grijze soep. De tranen stroom­den over zijn wangen terwijl hij genoot van de lonkende speldenknop in de verte. Als gehypnotiseerd begon de man te lopen. Eerst lang­zaam, maar steeds sneller en gedreve­ner. Hij begon als een machine te rennen, zonder gedachten, zonder wat dan ook. Er was werkelijkheid dat ver voor hem gloorde!

Het duurde eeuwen voordat hij ook maar merkte dat hij dichterbij kwam. Een hevige angst maakte zich langzaam maar zeker van hem meester. De plek was begrensd! De grijswereld was er vóór, naast, maar ook achter. Het was een oase, van hooguit twintig vierkante meter schatte hij. Al hollend hield hij zijn ogen er strak op gericht. Mis­schien is het een deur?, bedacht hij hoopvol. Steeds duidelijker werd dat een kamer was. De zuiverheid van de normale, aardse kleuren deed pijn aan zijn ogen. Tien meter ervan­daan moest hij stoppen om zijn ogen af te schermen. Het duurde even voordat hij door de gespreide vingers ernaar kon kijken.

Het was inderdaad een woonkamer, met een bank in het midden. Een hoerenkamer, compleet met een bar waarvan het glaswerk de schittering verhevigde.

Met een schok herinnerde hij zich zijn laatste momenten voordat hij plotsklaps hier terecht kwam. Toen was hij bij een prostitué, Yvette. Ze had haar praktijk in dezelfde flat als waar hij woonde. Na maanden niet gevreeën te hebben, belde hij uiteindelijk bij haar aan. Dat was giste­ren, nu eeuwen geleden.

Eindelijk kon hij met volledig zicht de ruimte bekijken. Het was dezelfde kamer als waarin hij nog geen 24 uur geleden de betaalde liefde had bedreven! Op die bank, met Yvet! En daar was ze! Een mens, een levende ziel!

Ze lag op haar zij, met haar rug naar hem toegedraaid. Met haar hoofd op de leuning, ogenschijnlijk te slapen.

Huilend van geluk kwam de man dichterbij. Hij zweefde. Een geweldi­ge rilling overviel hem toen hij de grens overschreed. Bibberend over heel zijn lichaam kwam hij thuis. Een geweldige warmte drong tot in zijn diepste wezen. Sprakeloos stond hij daar, zijn ogen gericht op de rug van de laatste mens die hij het laatst had gezien.

Yvet draaide zich om, alsof ze voelde dat ze werd bekeken. Ze lachte loom naar hem. Een tweede warme golf spoelde door zijn lichaam.

‘Uitgeplast? Dat was wat hè?’, hoorde hij haar zeggen. Haar zwoele stem donderde in zijn oren. ‘Kom, verwen mij nog een keer’, zei ze. ‘Je bent goed, en vooral gretig. Daar hou ik wel van’. Ze strekte haar arm naar hem uit. Als een magneet werd de man naar zijn prostitue­rende buurvrouw gedreven. Hij zag haar en zijn eigen uitgestoken arm steeds dichterbij elkaar komen. Totaal leeg van binnen liet hij het met zich gebeuren. Met haar andere arm bevoelde Yvet haar kutje waarbij ze tegelijkertijd haar benen zo wijd mogelijk spreidde. De man keek met grote ogen tussen haar dijen. De zoetheid, de aantrekkingskracht van dit leven sloeg hem bijna tegen de grond. Zijn pik zwol tot zijn grootste afmetin­gen.

‘Nou, je hebt er nogal zin hè?’, merkte Yvet met bewondering in haar stem op. Zelf was de man met stomheid geslagen. En de verwarring werd alleen maar erger toen zijn hand die van de hoer raakte. ‘Wat ben je heet!’, zei Yvet. ‘Kom maar eens snel hier!’ De hand waarmee ze zojuist haar eigen opgewonden geslacht beroerde wurmde nu aan zijn broek. ‘Ik snap niet waarom je je al hebt aangekleed. ’

‘Ik ben nog lang niet met je klaar’, zei de vrouw tijdens haar handelingen.
Zijn broek gleed langs zijn benen. Nog steeds sprakeloos zakte de man nu echt door zijn knieën. Bevend over heel zijn lichaam moest hij op de bank gaan zitten. ‘Ooh, je hebt er echt weer zin’, herhaalde Yvet geil. Voordat de man het wist, bracht ze haar hoofd boven zijn ontblote pik en rook met gesloten ogen zijn geur.

Zijn geest knakte. Nog geen uur geleden dacht hij aan suïcide, nu stond hij op het punt gepijpt te worden door zijn buurvrouw! Met een zucht gaf hij zich gewonnen. De verbijstering die tot ogenblikken geleden zijn wezen vulde, ebde weg. Er was berusting, overgave toen de vrouw haar felrode lippen om zijn eikel sloot. ‘Ooh ja’, ver­zuchtte Yvette, ‘je bent zo lekker...’ Met lange halen bewoog ze haar hoofd over zijn gespannen en lange pik. De man wierp zijn hoofd in zijn nek. Momen­ten van herkenning trokken aan zijn geestesoog voorbij. Momenten die hij vóór zijn kennismaking met de grijze wereld ook had gehad. Bevrijden­de gevoelens, grote opluchting.

Aan de kramp in zijn ballen merkte de man dat de grote ontlasting zich weer aandiende. Yvette merkte het ook aan het harder kloppen van zijn pik in haar mond. Ze haalde zijn lul uit haar mond. Een flinke draad voorvocht hing vasthoudend tussen zijn eikel en haar heerlijke lippen. ‘Je gaat komen of niet?’, vroeg ze. De voor­vocht­draad knapte. De man knikte slechts. Het was alsof hij zijn spraak niet meer kon vinden.

Pats! ‘Daar, een hoerenklapje op je heerlijke pik. Ik wil niet dat je al komt’, zei Yvet vastberaden. Ze ging voor hem staan en trok haar zijdezachte kamerjas uit. De man bewonderde de schoonheid van haar lichaam. Nu pas wist hij wat aardse en menselijke schoonheid was. Hij genoot ervan. Hij keek naar haar zachte, zorgvuldig geschoren kutje. Haar gezwollen schaamlippen en de roodroze opening ertussen. Het lonkte. Het hoertje stapte uitdagend over hem heen. Ze ging op zijn benen zitten, met haar rug naar hem toe. Van achteren kon hij de ietwat uitstekende schaamlippen zien zitten. Zijn lege geest werd gevuld met zoete overgave. Van voren pakte de vrouw zijn pik en wreef ermee over haar lekkere plekjes. Door zijn overgevoelige eikel sloeg zijn middel af en toe ongecontroleerd naar boven. ‘Wat een heerlijke pik heb je toch buurman’, kreunde Yvette meerdere malen. En steeds vaker liet ze zijn staaf over de inmiddels vrijgemaakte opening glijden. ‘Dat topje erin, ooh ja, heerlijk’, kweelde ze.

Ze speelde met zijn pik, liet zijn eikel steeds vaker, steeds intensiever met haar lichaam kennis­maken.

De man had het niet meer. Hij begeerde haar, hij begeerde deze wereld zo intens, dat hij niet wist wat hij moest doen. Weer werd hij getroffen door de herinnering aan de eerste keer dat hij met Yvet naar bed ging. Voordat hij in die afschuwelijke andere wereld terecht kwam...

Yvette’s tergend spelen stopte. Ze zette zijn pik nu recht voor haar kutje en zakte er langzaam overheen. Een moment later zat ze op zijn benen. De man voelde haar opwindingsvocht op zijn naakte huid. Ze ondersteunde zich met één arm op de bank; met de andere wriemelde ze aan haar clitoris. Ze wreef intens met haar onderlichaam over zijn benen, zich af en toe helemaal naar voren buigend om zo haar klitje op zijn behaarde benen te stimuleren. Ze viel bijna, maar haar ondersteu­nende hand vond een nieuw houvast op zijn linkerknie. Haar vingers spanden en ontspanden op de golven van het genot dat zij zichzelf toebracht. De man kreunde, en zijn eigen stem kwam onwer­kelijk op hem over.

Hij voelde nagels in zijn knieschijf dringen. ‘Ik ga komen’, hijgde de hoer, ‘ik ga weer komen.... Ooh ja...!’ Een intense emotie van totaal geluk nam van de man bezit. Hij voelde hoe haar lichaam zich inspan­de. Zich klaarmaakte voor de bevrediging. Overal waar haar lichaam het zijne raakte, voelde hij gespannen spieren. Hij keek naar haar nek en zag de dunne, vrouwelijke aderen opzwellen. De man pakte zijn hoererende buurvrouw stevig vast. Overal, waar hij maar kon. Hij kon haar wel opvreten. Ze was alles voor hem, het vrijen was zijn leven. Nu pas realiseerde hij zich hoeveel dat betekende...

Met een enorme schok en een zacht kermen verslapte Yvette’s pracht­lijf. ‘Ooh jah! Heerlijk...!’ De vrouw golfde zachtjes na op zijn pik, af en toe onderbroken door een ongecontroleerde naschok.

Heel voorzichtig richtte Yvette zich weer op haar benen. Zijn nog steeds keiharde pik gleed langzaam uit haar wijd en vochtig kutje. ‘Nu ben jij weer aan de beurt’, zei ze hijgend. Loom volgde de man met zijn blik haar bewe­gingen. Ze positioneerde zich voor hem op haar knieën op de bank. Van de zijkant keek hij naar haar immens mooie lichaam. Haar wulps gladde kontje, de ragfijne bilnaad, de piepkleine donshaartjes, en aan de onderkant de uitnodigende naar buiten stekende schaam­lippen. Bevend op zijn benen ging de man staan. Hij pakte zijn klop­pende pik, pakte met zijn andere hand haar middel en drukte van achteren zijn pik in haar vagina.

‘Mhmm... Jaaaah!’, zuchtte Yvette lang aaneen gerekt met zijn penetrerende beweging mee. De man drukte zijn onderbuik zo dicht mogelijk tegen haar zachte billen. Hij pakte haar, nam haar. Omdat zij het zo wilde. Omdat hij het zo wilde. En hij begon gestaag aan de bewe­gingen om dat te bekrachtigen. De ver­schrikkingen die zich tot dan toe in zijn bewustzijn hadden vastge­haakt verdwenen als bij toverslag. Er was slechts het genot, het leven, hier, met Yvette.

De hoer bewoog haar hoofd mee met het ritme van zijn stoten. Haar lange haren tekenden chaos in de lucht. Steeds straffer bewoog hij zich

In haar, steeds wilder bewoog zij met hem mee. Hij was van haar. De kiem van totale overgave spreidde zich uit. Van zijn ballen tot heel­ zijn onderlichaam. Hij ging komen. Het voelde alsof zijn pik in haar opzwol tot een enorme bal en hem zo in haar vastzette. Hij kon zich niet meer bewe­gen. Het hoogtepunt kwam met overdonderende schokken die golf na golf intensiever werden.
Net voordat de man zichzelf weer kwijtraakte, realiseerde hij zich dat hij al zoiets eerder had meegemaakt. De eerste keer.

Yvette probeerde te bewegen, om nog zoveel mogelijk te kunnen voelen. Ze merkte dat de man viel. Met haar achterste manoeuvreerde ze hem op de bank, waar hij als een dood gewicht op viel. Zijn enorm opge­zwollen pik spatte werkelijk – en niet geheel pijnloos – uit haar veel betreden kutje. Meteen draaide Yvette zich om, pakte zijn lul en voelde voor de tweede keer die dag de enorme hoe­veelheden sperma door zijn warme vlees schieten. Ze hoorde een slijmerig geluid en het eerste zaad spatte uit zijn penis tegen haar gezicht. Yvette genoot. Voor de tweede keer die ochtend wentelde ze haar gezicht in de sperma douche van haar alles gevende buurman. En weer was er het geile, zoet ma­kende gevoel in haar onderbuik toen ze zag dat hij weer out was geraakt.

Het was stil. Doodstil. De man staarde ongelovig in het nietszeg­gende grijs om hem heen. Als een mes sneed zijn met afgrijzen gevulde schreeuw door de zware nietsheid. Hij was terug…